371
gaf den armen sjlemiel een plaatsje op de fabriek en een partijtje prutswerk.
Deugde natuurlijk geen snars van! De kerel verknoeide alles in den grond. Toch hield meneer Van Beem hem. Stel je vóór... zijn grootvader had aan dién man verdiend! En hij had gedreigd, zich van kant
te zullen maken als het zoo voortging...... Alala......
quand on est mort, c'est pour longtemps!... Zou hij dién man dan in den steek laten? Iets voor Van Beem!
Toen de snoeshaan snorkend vroeg, of zijn werk goed was, antwoordde Van Beem:
— Best, best!
Maar een uur later gooide hij het goed bij uitschot. Hém zei Van Beem:
— Hier heb je een beetje klinkende munt... 't Werk maakt je blind!... Koop wat ordinair kloofsel, laat er kapstukken uit slaan... maar denk er om... niét uitwerken tot kappies... en verkoop ze zóó. Aan crediet zal ik je wel helpen...
Zoo was alles mazzel en brooge aan de Van Beem's, God gunt ze honderd jaar!... Dat waren nog ereis kopstukken!
Leipie Nord, de endenkoopman, ratelde er tusschen:
— Wat 'n verschil met Manus Moro... schort je neus op!
Een schok ging door het troepje. De naam Moro veroorzaakte schuimende woede.
Leipie's stem wapperde:
— Manus Moro,... laat hij maar geen voet hiér
zetten. Bij Godallemachtig....... ze boenen hem
de zaal uit... ze verscheuren die aasvreter, die vuile materialist... die een ieder de rug inrijdt!...
Jaune Kokernoot balde de vuisten en blies als op een valsch mondorgeltje:
— Die schoppenboer mosten ze levend villen, die hyena...... wat jij, Joolie?...... Ze mosten hem voor