221
lijken zwetser Jonas Fontein, die hem overal bekend maakte als den man van angelsteken en verraderijen, in woord en daad. Moro stikte van verholen wrok en woede op Rozenheim, dien praler, die nu, met zijn ongelukkigen stock al heel wat toontjes lager zong. O, in omgang bleef hij vriendelijk tegen dien jovialen piet, om hem later als knecht te kunnen neertrappen...
Sallie keek zwijgend naar het kijken van Moro en wachtte. De valsch-lichte, gejaagde loeroogen van den juwelier overzagen schichtig-snel en scherp, maar toch met dwalende onbestendigheid. Moro toetste verheimelijkt, omgeving en antiquairtje. Hij bekrabbelde zijn grooten, haakvormigen neus. De smalbleeke, listige lippen spanden zich fijntjes en trokken het kin-litteeken bloedloos, als witgekookt kippenvleesch.
Sallie's vogeloogen staarden naar gestalte en wilde schaduw van Moro.
Twee vlijmscherpe sluwerds en meedoogenlooze karakters, wogen in stilte eikaars slimheid. Roofvogel en vleermuis, elkaar omfladderend.
Moro, in het donkere antiekwinkeltje, tastte omzichtig of dat springlevende kereltje, dat uitdragertje, flauw vermoedde, wat voor kostbaars hier onnoozel-tjes-weg lag uitgestald. Sallie, arglistig, op zijn hoede, met dom-verschalkend masker als wapen, nieuwsgierig-geprikkeld, waar die meneer heenroeide, bleef zwijgen en gluren. Er jubelde iets hoog-verstikkends van plezier in hem op, maar hij kon niets, niets tot dien man ervan zeggen. Eindelijk weer eens een rijke klant!
Meneer Moro bleef loeren, talmen. Och, Sallie kende immers uit zichzelf zoo goed al die trucs, om te doen alsof je het voorwerp, waarop je brandde niet zag, niet eens bemerkte... Moro vroeg onverschillig-koel den prijs van vele dingen er omheen. Van de armbanden repte Moro met geen syllabe, al trilde zijn