218
erg dnolk, onder de rubriek: oplichting. Hun stokpaardje, atteproï!...... Nou, wat zou het eigenlijk
hinderen, die schatrijke kunsthandelaars iets in de maag te duwen? Kuns tegen kuns!... Zij doen het toch andoren ook? Merde! Bij Christie, in Londen, was de drempel ook niet smetteloos. Neppers vond je over de heele wereld,... wat-ik-u-zeg!... En ook gefortuneerde verzamelaars mocht je een brok beluwat-karpet wel voor gobelin opsmoezen. Maar toch netjes, alleen als handel!, en je vooral niet uitlaten over antiek
of niet antiek...... als ze er toch geen verstajim van
hadden!...... In Amerika kochten blagueurs en vette
pronkers alléén, als iets krankzinnig duur ging. Was dat nou oplichterij, die lui véél te laten betalen als zij het zelf wilden? Voelde Sallie heelemaal zoo niet! God, god, wat een kapsones. Toch hield hij zich stom en onnoozel.
Sallie had ook nog een échte Corot, twee Rousseau's, maar ongesigneerd. En al was hij er heilig van overtuigd, dat het Rousseau's en een Corot waren, hij liet er ,,dóch" geen nagebootste handteekeningen op zetten. Al wist hij, dat concurrenten bij dozijnen het deden. Hij kende zelfs antiquairs, die een speciale studie hadden gemaakt van de beroemdste handteekeningen en er een, twee, drie klaveraas mee goochelden... Als hij wou,... nee, nee... te slim af! Zulke praktijken!... Neen, waren hem te min, te gemakkelijk!
Wél volhouden, bij verkoop, dat ze échter waren dan de „echte"; met klem, suggestie, geheimzinnige
aanduidingen. Maar vervalsohingen, nou ja,...... een
enkel keer, om een nakend restaurateurtje op een neetkaal zoldertje, nebbisj, ook aan een korst brood te helpen...
En inderdaad waren er veel vervalschingen. Hoe je
het noemen wou...... Als het „doch" échte doeken
waren, mocht je ze „doch" signeeren, wanneer die