vloeid aquarium, waarin dartel gezwem van vonkende vischjes in een wemelenden praal van glansen, die rond en om de oogen zwenken tusschen een stillen mist van licht. Daar was Mozart en de zoete too-verij van zijn melodie; daar was heel de vreemde Weensche schitterstad, met haar nieuwe ochtenden en zachte schemers; daar was kunstenaarsge-luk, een klinken en zingen van menschenstemmen... Plots was het alles uitgedoofd en hing het vol dreigende en donkere dingen. Jacht op een goudvlinder en grijpen in half afgevreten aas; geluks-schijn lokkend naar trieste realiteit. Nóg dreigender zou het worden. Zijn moeder stierf en meer dan ooit mishandelde hem het leven, beukte en vernederde hem het noodlot, stond Beethoven op zeventienjarigen leeftijd onbeschermd, alleen met zijn somber genie. Een brief uit dien tijd van den jongen Ludwig teekent zijn ziels-geknaag, zijnmorositeit. Zijn moeder is juist gestorven.
102