Zijn ziel rekende niet, maar zwijmelde. Niet meer de grammaire, maar het dichtend-scheppende had hem in den greep. Een gouden hal van klanken overkoepelde zijn hoofd, melodieën-ranken ombloeiden zijn bedwelmde oogen. Daar, in Mozart, onderging hij een onbewuste om-toovering van heel zijn zwaarge-striemd wezentje, hij, het Ernst-kind; voelde hij een nadering tot het luchtig levens-stoeiende en tóch verhevene, dat hem geheel zijn leven is bijgebleven en dat hij als jongen al, met zijn bevende kinderhanden beroeren wou. Droomend, onbewust dichtertje, zie ik den innigen Ludwig zitten tusschen den banalen drom der blazers, strijkers, paukers, muzikanten-arbeiders, nuchtere ambachtelingen, die het stille vuur in zijn diepe oogen niet zagen gloeien, — hijzelf bang voor zijn eigen visioenen en onstuimige klankverrukkingen, innerlijk schreiend zonder tranen, van geluk en weedom dooreen;
87