letterkundige enquêtes. i99
״hevig-lyrische begaving" mist ״verbaal schaamge-voel", Scharten daarentegen wordt ״waardige opvolger van Huet". Van je vijanden moet je het hebben! — Toch, oom Erens, trek niet te forsch aan die stropdas; zij zoueens eerder u dan mij versmoren! Zoo een colorieke JanKlaassen,... O,.. •mijn roekeloosheid is al te pathetisch! En dan, nog iets, oom Erens! propheet van het blauwje stoepje, ziener bij kaarslicht, en waarzegger op een dakgoot... Wilt ge u herinneren dat Scharten zélf Huet heeft neergepatst als een onguren rheto-ricus, zonder eenig zuiver stijlgevoel? Wilt u hem van zoo iemand ״waardig" opvolger doen worden, nou, dan snap ik uw ironie. —
Bepaald schalks is de opmerking van oom Erens dat Brusse ״behoort tot de literatuur en niet is alléén journalist." — O zoo! Is dat oordeel geen nieuw stuiverstukje waard? Wie heeft dat ooit zoo schalks, guitig, frisch, oorspronkelijk ingezien, dat Brusse niet alleen journalist is, maar ook tot de literatuur behoort. O! godzalige enquête, eeuwigen dank dat ge ons een zoo groot literair geheim openbaart. — Wij stommelingen, die dat nooit zélf gezien hebben. — Dan de onbetaalbare mededeeling, dat de ״veel-ge-smade Couperus" hem niet ״onsympathiek" is en dat hij Heyermans niet ״voldoende" kent. Gelukkig... gelükkig... oom Erens... Enne... enne... Staring? oom enne... uw eigen gedans en gerhythmeer... de cold cream van uw artisticiteit!...
Na Erens, oom-propheet je, neemt Emants het woord. Om te vertellen dat hij weigert te antwoorden op de gestelde vragen. Weer schieten we op! O! die drollige enquête. — Hij doet niet aancritiek, Emants, maar ״dezelfde" gaf in een interview met d'Oliveira, een heele reeks critische oordeelvellingen. Ook een leepert, die strakvormelijkepipa Emants, met zijn gedisciplineerde ziel, zijn hooghartige nederigheid, en zijn zonderling-lompe dialectische rijkunst.