klank-taal. Dat deed Hekking verbazend mooi, die aflijning van den beurtzang, het fijne phraseeren, het inhouden en breken van den zang-toon en dan weer plots met subtiele modulatie, met melodie en tegenme-lodie vragen en antwoorden. Wat 'n gracielijke verfijning bracht hij in de cantileen, zonder de geringste toonverzachting. Wel streelde en vibreerde zijn toon, maar 't bleef een spreek-zingen van de diep-ontroerde ziel.
Zoo'n teedere schakeering van den muzikalen dialoog met heel rein gevoeld worden als een innige samenspraak van twee zielen, een zang, een neuriën, een uitzuchten van ontroeringen en stille, droeve mijmeringen. En dat gaf Fiedler in zijn beurt-zang niet geheel.
Hij speelde soms verrukkelijk mooi en toch begreep hij van het fijne dialoogweefsel niet veel. Hij streek zich fel door de zegeningen en zoete murmelingen van van het klavier-varieeren heen, viel aan op zijn melodie, en zweeg dan weer, tot weer de zangbeurt aan hem was. Van Hekking had hij kunnen hooren, dat uitdrijven in het zachte schijnsel der klanken. Hij beantwoordde de cello wel, maar met een anderen kleurtoon. Hij was of te sterk of te solistisch, te smachtend of te vibreerend. Vooral bij een dubbel-forto attaque vibreert Fiedler te hevig, wordt het als het onvaste beven van een coloratuur-zangeres, wier stem wankelt.
— Als het trio werkelijk groot werk wil doen, inniger samenhang wel brengen in zijn melodische rhythmiek en uitbeelding, dan moet er een absoluut leider zijn.
— Dan hooren wij eersthet harmonische element en anders krijgen wij alleen bij brokstukken solistisch-mooie dingen.
215