en soms zelfs, na weeke en te brandend-sensueele streken van een groote, uitzwevende kracht en een buitengewoon ontroerend vibrato. Wat Fiedler ontbreekt dat is geestelijk leven; zooals de meeste musici geestelijk leven missen. Ze hooren altijd weer elkaar. Eeuwig muziek, muziek, repetities, concerten, muziek. Ik geloof dat een groote wandeling door avondstad en ochtendland hen zeer zal opfrisschen; of een week wegduiken in Shakespeare of in Balzac; en oneindig meer hun vertolkingen zal verdiepen dan gevit op collega's en heet-zinnige jalouzie op succes en kranten-roem.
Ook Fiedler staat buiten alle kunst als hij zijn viool heeft neergelegd. Dol is hij op »moppen«. Hij vertelt deze in gebroken Hollandsch, plots soms overgaand in het Duitsch met een poolsch accent. — Uitstormend is dan zijn lachen na een »mop«; vooral na joodsche geestig-prikkelende en fijn-ironische. Maar vertellen doet hij ze slecht. Dat doet toch Flesch veel beter... die ook de Ciacona véél machtiger speelt. Later hoop ik eens een vergelijking uit te werken tusschen de psychologie dezer twee kunstenaars. In ieder geval staat Flesch veel nader tot de cerebrale macht waarin voelen en denken saamvloeien, dan Fiedler, die misschien warmer, inniger ontroerings-stroom door zjjn toon laat heenrillen.
Hekking roemde van avond het spel van Fiedler wel en toch geloof ik niet dat hij voldaan kon zijn. Hekking is zooveel machtiger en hijgender temperament. En in alles opbruisend, hevig, koen en zeer
211