rij k-van-timbreering kunnen beheerschen. Maar het groote stijl-spel, het ontzaglijke dragen derpolyphonische klankbeelden en ingewikkelde melodie-reeksen als in Bach's Ciacona, kan hij nog niet geven. Zijn melodie-scandeering, zyn rhyhtmische en dynamische accenten zijn wel zuiver, maar zijn Bach-accént is toch nog altijd veel sterker dan zijn Bach-rhythmiék. Hij dringt daardoor nog niet in in de religieuze ontroeringen van Bach, omdat hij het bidden niet gevoeld heeft als een openbaring ook van zang. De Bach-menschelijkheid, het lijdende te objectiveeren, het zware, stijgende, hetbreed-rhythmische, door alles-heen-stroomende en alles mee-sleepende van zijn contrapuntiek, — neen, gaf hij in Bach niet, kon hij ook nog niet geven. Hij is er te jong voor. Hij kent het staren van het grauwe smart-gelaat nog niet.
Maar mijn god, lieve, goeie, beste pianisten, violisten, cellisten, altisten, zangers enz.... Een muziekschepping van Bach is veel meer dan muziek alléén, is de resultante van heel zijn ziels-worsteling met leven en smarten, hartstochten, angsten en verrukkingen. De heele Bachziel en de Bach-verbeelding moet ge kunnen naar voren halen met uw ziel, uw verbeelding. En hoe je 't doet, met branding van zinnen, met teistering van eigen geest, met bezwering van geestelijke oproerigheid, 't kan me niet schelen, — als ik maar van mijn Bach een koninklijken indruk krijg.
Wat de meeste menschen in jelui bewonderen, dat heeft met het allerdiepste wezen der muziek nog maar heel weinig uitstaande. Men juicht in jelui toe, het
12
209