Neen, neen, op geen stukken na heeft Fiedler Bach, den geweldigen Bach gegeven met 'zijn zwaren ziels-bloei en zijn magistrale levens-energie.
Solistisch en violistisch bezien is Heinrich Fiedler nu al een groot violist. Zijn toon is soms te zinnelijk, te zoet, te doorrild van lichaams-passie, te broeierig sensueel-week; maar dikwijls lost de sensualiteit zich op in prachtig sensitief leven, is er een innige, verrukkelijke schoonheid van klank-plastiek, een omronding, een vibrato van toon, die gansch den lyricus en zijn gemoeds-ontroeringen naar voren halen. Eerst denkt ge: klein, fijn van toon; toon van een droomer, bewogene stem van een lyricus, zacht goud-rood van coloriet, als herfstschjjnsel. Maar dan plots strijkt hij zijn G aan. — Kerel, dat is nog iets méér dan alleen lyriek. Hij hijgt naar de verklanking der dramatische ontroering, hij wil ook in de diepte, in het lage klankregister orgelen met zijn toon, uitstrijken, uitworstelen. Dan dreunen zijn attaques, is er een koortsige, bijna geëxalteerde hevige opgedreven hartstochtelijkheid in zijn forto's, een paroxisme van klank-plastiek, die de viool dreigt te doen barsten.
Zijn faciliteit is zeer groot. Hij spéélt met de technische passage's. Als hij er uit is, slecht speelt of knoeit, is dat nooit wijl hij technisch zijn instrument niet zou kunnen beheerschen. Zijn stokvoering is vast, af, en toch luisterend naar de lichtste nuanceering. Hoe zou hij ook anders zulke fijne subtiliteiten in melodieovergangen als bij Mozart, zoo volkomen-rustig en
208