avond niet veel meer dan een dik-be-ju'd genot, een gastrische orgie, een tong-verlekkering, een verhemelte-bachanaal. Dit alles is grove jok. Voor den stemmingsvoeler is dat alles bijzaak. Dié spint in de lampgouden-avondrust, in de zoete beneveling van heel vaag voorbij-trekkende droomstoeten, wonderlijk gekleurd. De Vrijdagavond is de heilige bewaarder en wekker van allerlei visioenen; bewust en onbewust, wijl hij omdampt is van een uit den diepsten natuur-aard der Joden voortspruitenden gezelligheidsdrang, waarbij niets te vergelijken valt. — Hij schenkt het leven aan allerlei anecdoten en verhalen, aan humor en kwinkslag, en als het meer gaat verschuiven naar den Vrijdag-nacht, dan kan door den kwinkslag heen, en het spiritueel vervonken van grappen en fijne scherts, de zware tred van den tragischen ernst gehoord worden, want geen ras, dat zóó gaaf beide uitingen van leven: tragiek en humor, satire en dramatische grootheid in zich bergt als het Joodsche ')
Ook in Goudsmit leeft telkens de zwelger van jeugdvisioenen op. Ook hij heeft den brand gezien, boven het vale dagleven uitvlammend, den rooden brand van geloof in tooverij, in geheimnisvolle dingen; en de muziek der woorden gehoord, dan als een fluistering
1) De mystiek der Joodsche feesten kan door niet-Joden slechts benaderd worden meegevoeld. Zelfs een groot hebraïcus als Richard Simon is het niet gelukt de volle geestelijk-symbolische schoonheid er van te doordringen. Alleen Rembrandt vermocht het met de ontzaglijke projectie van zijn, door geen enkelen ras-invloed geschonden verbeeldingsleven.
198