wellicht vóór ze woord werd lévend in haar schreide of zong. Deze schrijfster geeft niet 't gezang van haar ziel en de droefnis van haar hart, maar meestal de formule van haar gezang, de formule van haar droefnis. Dat schept juist verstands-psychologie in haar werk, — een ravage houdend onder haar aandoeningen. Juist wijl ze dl hoogere gebieden van geestesleven wil betreden en tusschen allerlei psychische ingewikkeldheden, van de onrust uit, tot de rust en 't verlossings-sentiment wil komen, 't Absolute naderen, wordt haar taak steeds zwaarder, en de uiting steeds zwakker. Het tot in 't oneindige saam- en weer uiteen-buigen van haar gedachten en benauwingen brengt vooral 't doode element in haar boek, vernietigt de leesbaarheid zelfs der goede voorstellingen.
Toch zjjn er fijne momenten, soms uitingen als kwamen ze uit den mond van een half gesomnambuliseerde, zoo vreemd, oneigenlijk en toch wel vol van ziels-realiteit. Als E. S. van de personen over wie zij schrijft ons een niet zóó in de auto-analyse vastgeweven vaag beeld had gegeven, hoe veel beter en leesbaarder zou haar boek geworden zijn. Zie in Rousseau's Confess i o n s b. v. eens het wezen van dien geheimzinnig stillen botanist, den amant van Maman de Warens. — Dat is boeiend, niet boeiend in den streelend-tijdpas-seerenden oppervlakkigen zin, maar boeiend in den zin van verhaal-lévend. E. S. is zóó altijd aan haar eigen innerlijk bezig, dat ze zelf 't uiterlijk alleen ziet in den troebelen schijnvan geobsedeerde zelfwaarneming.
Wat E. S. echter 't sterkst ontbreekt, — en fataal
191