het lichaam der schoonheid zelve, het blanke lichaam, waar hot bloed doorschijnt".
Kloos.
houten verzen zijn zoo weinig buitensporig, zoo tam, dat slechte critici zullen beweren dat A. v: S. zijn ongebondenheid hier heeft weten te vermeesteren. — Schijn is het, niets
dan schijn.
„We moeten al heel dank-
n
baar zijn, wanneer we iets meervinden dan kwajon
gensachtigheid".
Gutteling.
Deze citaten geef ik niet allereerst als typische staaltjes van twee soorten schrijverij. Toch kan men hier voor eigen critisch genoegen ontleden; ontleden 't kronkelige denkwerk en de plompe, scheef-gezakte, uit haar logische voegen hangende zin-structuur van Kloos, en 't ergerlijke stijlknoeisel van Gutteling zelf. Over later en ander werk van Scheltema schreef Kloos nog dit, — werk ook door Gutteling in zijn critiek
„Alles wat hij zegt (nu gaat
behandeld:
„Ja, deze nieuwere heeft het
in zijn macht, indien hij, in strengen ernst, zijn binnenste wil beelden, om een schrijver te worden, dien we kunnen begroeten als een der eersten onder allen", door gevoel en verbeelding en geest, en
mooien wil.
't over het gedicht L o n d o n) is niet anders dan een lange opsomming van akelige tafe-reelen, in norsche, dikwijls sarcastische bewoordingen, en aan het eind een zeer rhetorische uitval tegen een kerktoren en een vlaggestok, waarvan de beste gedeelten toch maar
142