wijl men in elk haast een schoonheid ziet, een kleurige glans afglinsterende schijning, er over geworpen door de zon der ziel.
... Een delicaat brok ziel — en — natuur... hij is volkomen geslaagd in wat hij wou geven: een accuraat geobserveerd geval, gebootst in uniek, in zacht-sterk Hollandsch, door een alles zooveel mogelijk objectief aanschouwenden kunstenaar, g e 1 ij k er weinigen zijn."
Kloos.
') De spatieering is van mij. Q
Vergeten wij niet dat door B. vastgesteld is dat A. en O. alleen zuiver — met nog iemand — het valsche van het echte, het leelijke, slechte van 't goede en schoone kunnen onderscheiden. — Zóó dus A. en O. over B.
Vergeten we evenmin dat A. en O. voor eikaars werk, ook voor het critische, groote bewondering hebben!
Ziethier nog Kloos over Van Eeden, naar aanleiding van diens „Enkele verzen", een boek dat in al zijn zoogenaamde overweldigende schoonheid door Van Deyssel, den grooten keurder, niet eens schijnt opgemerkt. Daartegenover iets uit het algemeen oordeel van Van Deyssel.
die, door zijn aanraking, zoodat men, bij wijze van spreken, het heiligst watmen had, zoodat men zijne ziel wel uit zijn lichaam had willen spuwen".
Van Deyssel.
137