Dat zijn intieme brokjes in zijn boek, wel nog telkens ontsierd door gezwollenheid en draaierigen bombast en ziedenden pathos, maar toch ook wel gaaf en vast van taai-klank en robuust van visie. Ook zijn kroegbeschrijvingen hebben verdienste. Er leeft iets fonkelend-hels, iets zeer levendigs en heen-en-weer־gaands in de voorgestelde dingen. Het is met de ziel en niet allen met de oogen bezien. — Zie pag. 44. Voor de taveernen enz. heel goed, — Pagina 47 onderaan geeft weer veel mooidoenerigheid. Maar dat hij Oheret's vrouwen kent, en voelt haar verschijnen en diep in zich opgenomen heeft, zegt pag. 73, waarin hij de wufte en wellustige boulevard-bacchanten in hun druk bedrijf schetst. — Hartstocht is er dan in hem, aangeblakerd door zijn dubbel-natuur, door zijn artistieke passie gekoesterd, verafschuwd en afgestooten door zijn hooger, boven vleeschwellust uitdringend geestelijk Ik, dat niet wil den zwijmel en den koortsgloed van de zinnen. Nu wou ik zelf over Parijs nog iets zeggen, van haar wezen, haar geheimen en haar verschijnen, bij avond, bij nacht, bij ochtend, maar dit moet maar bewaard voor later.
Nog iets van Lauer liever. —
Hij is nog heel jong en hij hoeft naar niemand te luisteren, ook niet naar mij. Denk maar dat wij, Lauer, het geen van allen absoluut weten, en dat, zoo gij geluk hadt met uw boek, ik dat geluk u niet wil rooven. — Maar ik heb volkomen eerlijk gedacht wat ik voelde over zijn werk, juist wijl deze ziel sympathiek is en doorademd van een teederheid en zachtheid en fijnheid die mij lief zijn. En juist wijl ik in het voelen
132