maar ook hoogelijk vatbaar voor een aangloeiïng van het sensueel-overprikkelde, het vitaal-brandende zinneleven. René kent de verkoelingen van het gebed, en daarmee juist gradueert hij de inwendige temperatuur van zijn erotische verrukkingen.
Want Parijs is een monster-stad. Balzac vloekte haar al met een gigontesken kreet van ontzetting en waarlijk, over Parijs broeit een zwerk van duivelsche misdaden-tragiek.
Dat Parijs van angst en ellende, van schitter-weelde en demonische huiverigheid heeft Lauer gevoeld, en met een breede visie gezien.
Enkele brokjes epiek zijn goed geslaagd. Zijn boek is ook eigenlijk veel meer een uitstorting van eigen levensontroering, onder de hooge menschenstormen van Parijs geschreven, dan een roman. Dat voelt men in iedere verzuchting, in iedere zegening en haat-uitbarsting van René. — Soms valsch-monumentaal gelijk hierin: ״Parijs, de hoofdstad der aarde, plek van twee deelen, gegescheiden door de met tweemaal twaalf monumentale bruggen overwelfde Seine, brandpunt van handel en kunst, monster-arena voor de worsteling om het leven, waar galmde, duizendmaal weerkaatst, de kreet om het bestaan, geluid, almachtig en benevelend"...
zegt hij toch dikwijls zeer goede en zelfs massaal-ge-voelige dingen tèlkens waar hij brokken Parijsch caféleven, straat-gebeur en taveernen-tafreeltj es beschrijft. Hij kent de Hallen, de groote Boulevards en Mont-martre; hij kent Quartier-Latin en hij heeft van allerlei achterwijken en marktbuurten d'atmosfeer innig doorvoeld.
131