vonken uit. Het geheele voorwerp wordt nu genoemd naar zijn eigenschap: vonkert. Er zijn mis-dadigersuitdrukkingen, voor vreemden, — ״lee-ken" zou een min of meer tardende naam zijn, — dadelijk verstaanbaar. Ze spreken b.v. van een „stille", en bedoelen een rechercheur. Een rechercheur werkt verborgen, in het geheim. Het woord „stille" is zeer begrijpelijk en ook beeldend. Er ligt iets dreigends in zulk een woord. Doch als ge hoort dat ze een slag, een stoot ook „tampil" noemen, dan raakt ge de kluts kwijt.
De misdadigers verminken en verwringen vele gewone, gangbare woorden, met de bedoeling ze voor het spraakgebruik onherkenbaar te maken. Ze hooren van marskramers en venters, van handeldrijvende Israëlieten, veel eigenaardig-teeke-tiende uitdrukkingen. De Joden zijn gewend onder elkaar Jiddisch te spreken. Ik bedoel de handeldrijvende, hoogduitsche venters, marskramers en kleine negocianten. Zeer typeerend en opvallend is hun karakteristieke taal. De misdadigers luisteren scherp toe en blijken ontvankelijk voor zulk een bargoensch. De meest typische expressies pikken ze uit de conversatie op, en brengen 2e zelf weer in hun spraakgebruik te pas. Hoe scherper ze hooren, hoe juister de vreemde en oneigenlijke klank der woorden wordt nagebootst.
128