DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 253
door een geweldige zwenking van den, naar avonturen en dramatische spanning hunkerenden geest, de heele Couperus doortrild wordt van een verheven beeldings-begeeren, en ongegeneerd van de thee, koek, gebak, overspringt naar Dionysos, legende van de blauwe kust, naar carnaval's en Oudheid. Dan ziet ge nog wel vóór u de gestalte van den wereldschen meneer, ruikt ge wel fijnen viooltjes-geur, ziet ge den man met de verzorgde handen, de toppen aangetipt met parfum, den man van liefkoozende, kirrende woordjes en zelf-vertroetelende verteedering, den man van senti-menteele innigheid, knabbelend op koekjes en zacht inzuigend thee, maar ge spreekt niet meer met de ziel in deze lagere gevoels- en verbeeldingssfeer. Gij spreekt met den dichterlijken vagebond, den rusteloozen zwerver door het verbeelde hemelruim. Gij spreekt over de gestalte van den mondainen nerveuzeling, die een ,,penetrante" lucht door zijn „gemaltraiteerde" hersens voelt steken, héén, naar de hoogere scheppings-persoonlijkheid, die maling heeft aan zijn croissants, zijn thee, zijn mooie dassen, zijn toilet, zijn geurbloemen, zijn melancholie, zijn nostalgie, zijn goud-doorweven, paars-roode tafellaken, zijn gebeeldhouwde friezen en zijn snuisterijen. Gij spreekt tot een wijzen wereld-ling in gala met lakschoentjes, die nimmer feller en onbarmhartiger de schaamtevolle en sjofele naaktheid der menschen doorzien heeft.