OVER FREDERIK VAN EEDEN 219
Dat de heele figuur Van Eeden zoo grof en voos-subjectief misbeoordeeld kón worden, is in hoofdzaak gevolg van het feit dat we geen groot criticus meer bezitten. Ik bedoel een criticus, zich uitsluitend wijdend aan de Nederlandsche literatuur, niets dan literatuur. — Er zijn tegenwoordig zooveel critici als Edammer kaasjes.... Stellig minder vet, rond en nuttig, doch even weelderig in aantal. Maar een groot criticus ontbreekt geheel. Er moest een zijn van zeldzame, zuivere objectiviteit, die buiten iedere persoonlijke vriendschaps-verhouding met voortbrengers van kunstwerken stond. Een soort critisch-priesterlijke ascese. Hij moest zelf nooit scheppend werk leveren, en zich geheel wijden, met lust en liefde, aan de Nederlandsche letterkunde. Carel Scharten leek even, in den aanvang, dien weg op te gaan. Maar dra bleek dat hij in de ontleding decadent en Van Deyssel-navolger was; dat zijn stijl oorspronkelijkheid miste, geen levensstuwing had. — Bovendien miste hij de groote objectiviteit (men leze zijn erbarmelijke beoordeeling van Gutteling's gedichten, die hem, een poosje daarvóór, een middelmatigheid had genoemd;) maar bizonderlijk de psychische diepte, de ziel, het leven in den stijl. Het zou een man moeten wezen met den — maar dan beheerschten — hartstocht en woordkunst-macht van Van Deyssel, de groote kennis van een Sainte Beuve,