196 STUDIËN
ziet, staat ge in het doolhof hunner praatjes, voetstootend, hoofdwondend, met allerlei kwetsuren toegetakeld, waarvan zij beweren dat gij ze u zélf bezorgd hebt.
Dit potsierlijk blinddoek- en doolhofspel is op gedachten, beeld, voorstelling en woord van Van Eeden toegepast, met een jezuïtische halsstarrigheid, en nimmer is het gevoelsbeeld van een groot lyrisch dichter als Van Eeden bedroe-vender verminkt. Het zingende klankvermogen, ook van zijn proza, werd uitgedoofd. Geen zin kon hij meer schrijven of er sprong een schalk uit den hoek, knauwde een stuk van den zin af en riep schreeuwerig-hoonend: haha, kijk Van Eeden! Zoo beet en scheurde men zijn woorden en zinnen vaneen, en alle kreten en lachten en hitsten op: Kijk Van Eeden.... haha! De beuligste natuur onder de ranselende snaakjes bond al de rafels bijeen tot een knoet je, en dan begon de geeseling. Ge ontmoette daaronder niet altijd Aristoteles-schedels of Plato-profielen. Eerder domme bruten met 't mombakkes van, op kwellingen zich verlustigend Jan Hagel. Men keek over eikaars schouders uit naar de straf-oefening en er klonk gegier en gekreun dooreen. Toen begon Van Eeden's verweer, soms raak, soms zot en zich triest blootgevend, als in zijn briefje over het Paleis van Ctrce-kabaal;