HET IVOREN AAPJE 143
Vernuft is zelf een glanzend juweel, maar dat men zóó glinsterend kan beslijpen, en zóó van alle facet-kanten kan doen aanfonkelen, dat de schittering eer verblindt dan verrukt. Glans is mooi, maar een kruisgloed kan ons wel in bewondering brengen, niet in ontroering verstommen.
Deze soort geestigheid had Shakespeare in zijn jeugdwerk, waarin hij de hoeken van den driehoek met zijn vernuft overspringt. Eerst is het een gekunstelde scherts, een aardigheids-schermutseling van zotskappen, die op den duur, gelijk alle paradoxen, prikkelen en vervelen. Ge zoekt naar kruimige gedachten, en ge hoort niets dan zetten, poetsbakkerijen, schelmsche rumoerigheden, en ge voelt u aan allen kant 't gezicht beprikt als door boenders en bezems. Iedere nar heeft zijn uithangbord. Ze dansen u alle, met tartend geklapper van castagnetten, een dans, en ge luistert naar het gebof tegen 't perkament der tamboerijnen en het geklinkel der belletjes in de lucht, dan hoog, dan laag, dan boven, dan beneden u. Deze soort gekunstelde geestigheid kunt ge in haar vlindergefladder niet grijpen. Ze speelt met onze spanning en ergert ten slotte.
Eindelijk ontstaat er verbreeding van levensinzicht. De zotskop strooit met wijsgeerige diepzinnigheden rond, diepzinniger.... wijl een nar spreekt. Het vernuft zet zich steeds in kleuriger tooi.