8 STUDIËN
zoo gretiglijk de liedjes van het publiek, zijn deuntjes, deuntjes van het volk.
Men Speenhoffte zooals men indertijd Mascag-ni-de.
Speenhoff bezit alle eigenschappen die hem een publiek-lieveling kunnen doen zijn en blijven. Ik bedoel natuurlijk van een zeker publiek. Van een publiek dat zich, na zwaren dag-arbeid, wil vermaken met iets heel luchtigs, iets heel vlots en geestigs, iets dat met insolentie en de onverschilligste inspanningloosheid nóg kan worden gegrepen door den vadsigen, keurenden geest en het vermoeide hoofd; van een publiek met café-chantant-geschooldheid, dat aan liedjes allereerst den eisch stelt van groote begrijpelijkheid. Verder moet er in uitkomen een felle vitlust op alles, maar gemoedelijk, leuk, gevat; ironisch maar niet rauw, fel maar niet scheurend, scherp maar niet venijnig, gluiper ig-verdachtmakend of ploertig-gemeen. — Ieder liedje vooral met een moraaltje. Zoo snugger-didactisch, zonder dat het geproefd wordt als levenslesje. Dan is er al daad'lijk voeling tusschen voordrager-dichter en massa. Kan hij niet alleen potjes, maar heele kruiken breken. Wonderlijk toch wel, die onberedeneerde sympathie over en weer van publiek op zanger, zanger op publiek; die ondefinieerbare wisselwerking tusschen één per-