226
benoemde hij een voorloopige commissie, om de regeering inzake de organisatie van het Joodsche Kerkgenootschap voor te lichten en op 12 Juni van dat jaar verscheen een Koninklijk besluit, waarbij de verhouding van het Kerkgenootschap tot den Staat en het inwendige bestuur der gemeenten geheel geregeld werden. Drie jaar later volgde een besluit, dat den gemeenten den plicht oplegde, godsdienstscholen te stichten. Aan gemeenten, die dit behoefden, werd hiervoor subsidie uit ,slands kas toegezegd. De voorloopige commissie werd tot vaste commissie aangewezen en kreeg den naam ״Hoofd-commissie tot de zaken der Israëlieten”.
Nadat, ten gevolge van de grondwetsherziening in 1848, de verhouding tusschen Kerk en Staat geheel veranderd was, moesten ook in de bestuursinrichting van het Israël. Kerk-genootschap aanmerkelijke wijzigingen gebracht worden. Hiertoe kwamen, op voorschrift van de regeering, 26 Joodsche notabelen te ’sHage bijeen (1850). In deze vergadering heerschte evenwel op de meeste punten groot meeningsverschil, zoodat het met de werkzaamheden niet wilde vlotten. Geruimen tijd bleef de toestand nu onveranderd, totdat in 1862 opnieuw pogingen in het werk gesteld werden, om de zaken te regelen. Thans scheen men beter te zullen slagen; er werd een commissie benoemd tot het ontwerpen van een reglement en reeds het volgende jaar was deze commissie met haar arbeid gereed. Daar de beide Amsterdamsche gemeenten zich evenwel met de voorstellen niet konden vereenigen, bleef de zaak hangende. Zoo verliepen er weder zes jaren, totdat ten slotte de Hoog-duitsche Amsterdamsche gemeente het reglement goedkeurde, nadat dit in baar geest gewijzigd was1). Zoo was eindelijk de organisatie tot stand gekomen ; de ״Hoofdcommissie” werd opgeheven en in haar plaats kwam de ״Centrale Commissie
J) De Portugeesche gemeenten te Amsterdam en ’sHage traden uit het verband en vormden zich tot een afzonderlijk Kerkgenootschap onder den naam ״Ned. Port. Israël. Kerkgenootschap”.