219
1832), R. Jacob Ettlinger (gest. 1871), B. H. Auerbach (gest. 1874), S. B. Bamberger (gest. 1878), Raphaël Rabbinowicz (gest. 1888), R. J. E. Spector (gest. 1896), R. Isr. Hildesheimer (gest. 1899), Dr. J. H. Dünner (gest. 1911), schrijver van belangrijke aanteekeningen (הגד!1ת) op den Talmud, Prof. Dr. David
T ־:
Hoffmann (gest. 1922). Al deze geleerden waren tevens god-vruchtige mannen, die tegen den hervormingsgeest streden en de Joodsche wetenschap op godsdienstigen grondslag vestigden.
Vooral op geschiedkundig gebied werd een buitengewone werkzaamheid ontwikkeld. Als baanbrekersgeldenhierNachman Krochmal (1780—1840), Salomo Löb Rapoport(1790—1869), die de levensgeschiedenis van eenige groote geleerden beschreef, beiden uit Galicië, en de Duitscher Leopold Zunz (1794—1886). Zunz’ werken hebben veel licht verspreid over de inrichting en ontwikkeling van den Synagogedienst. Het voetspoor van deze groote mannen volgden tal van geleerden; een grooten naam verwierf zich H. Gratz (1817—1891) door z(jn ״Geschiedenis der Joden”, waarin de geleerde schrijver in boeienden stijl de lotgevallen van het volk Israël uitvoerig beschrijft. Belang-rgke geschiedkundige werken leverden ook A. Berliner, E. Carmoly, M. Güdemann, J. Halewy, A. Harkavy, D. Kauf-mann, M. Kayserling, A. Kohut, I. Loeb, S. Schechter, M. Steinschneider, M. Brann, A. Neubauer en vele anderen.
Als bijbelverklaarders en taalgeleerden traden op den voor-grond: Izak Euchel (gest. 1804), die een vertaling van het gebedenboek leverde; J. L. Bensew (gest. 1811) schrijver van een Hebreeuwsch taalboek; W. Heidenheim (gest. 1832), de geleerde verklaarder van het Machzor; I. S. Reggio (gest. 1855) en S. D. Luzatto (gest. 1865) te Padua, verklaarders van eenige Bijbelboeken; Julius Fürst (gest. 1873), schrijver van Hebr. en Chaldeeuwsche taalkundige werken; J. Levy, schrijver van een belangrijk Talmudisch woordenboek; W. Bacher, (gest.