213
verwijderen van het onhebbelijk geworden uiterlijk de mensch-heid het schoone en verhevene van het innerlijke wezen des Jodendoms toonen. Een aantal zijner volgelingen geraakten evenwel op den dwaalweg; in hun ijver om zich spoedig de gelijkstelling met hun medeburgers te verwerven, vergaten zij den plicht van trouw jegens God en het geloof der vaderen. DavidFriedlander(1750—1834),een van Mendelssohns vrienden, stelde den geestelijke Teller voor, uit het Jodendom en Christendom beide een nieuwen godsdienst te scheppen. Teller antwoordde, dat men tegenover zijn godsdienst geen verraad mocht plegen. Velen van Friedlanders aanhangers stoorden zich evenwel niet aan dat schoone woord en gingen tot het Christendom over.
Zucht naar hervorming. Bij vele Joden openbaarde zich in dien tijd van afval een drang naar hervorming. Het gods-dienstonderwijs, de Synagogale dienst, het huiselijk leven, alles moest naar de eischen van den nieuwen tijd ingericht worden. Nu waren er werkelijk, gelijk wg gezien hebben (blz. 132), in den loop des tijds misbruiken in het Jodendom ingeslopen. Hadden de hervormers dus in Mendelssohns geest voortgearbeid en het Jodendom alleen van uiterlijkheden, die het ontsierden, trachten te ontdoen, hun namen zouden in dankbare herinnering bij ons voortleven. Dat zij scholen1) oprichtten, om de jeugd te beschaven; dat zij bij den Synagogedienst een predikatie in de landstaal verlangden; dat zij van den Voorzanger muzikale voordracht der gebeden en in plaats van het onordelijk gegalm der menigte koor- en gemeentezang eischten, dit alles kon voor het Jodendom wezenlijk nut afwerpen. Dergelijke goede hervormingen zijn dan ook bijna overal ingevoerd. De hervormers waren hiermede evenwel niet tevreden; zij raakten niet alleen aan het uiterlijk, neen, ook aan het innerlijk wezen
ג) O.a. verrees in Seesen de Jacobsonschool (1801) en in Wolfenbiittel de Samsonschool (1807).