196
gedurende den oorlog ter wille van het vaderland blijmoedig de zwaarste offers hebben getroost, heeft na den oorlog het antisemitisme opnieuw den kop opgestoken. Men heeft de Joden op de ergerlijkste wijze belasterd; men heeft hen voorgesteld als lafaards, die zich gaarne aan hun krijgsplichten onttrokken en als speculanten, die door het opdrijven der prijzen zich ten koste der gemeenschap hebben verrijkt. Zoo heeft Duitschland de opofferingsgezindheid zijner Joodsche burgers beloond. In Beieren werden talrijke Oost-Joodsche gezinnen, die zich na 1914 in het land hadden gevestigd, verbannen en in Berlijn kwam het in 1923 zelfs tot een bloedige uitspatting tegen de Joden. Aan antisemietische ophitsingen moet het ook worden geweten, dat de Joodsche minister Rathenau, die reeds zooveel voor Duitschland had gedaan en nog wilde doen, in 1923 door een moordaanslag het leven verloor. Joodsche professoren worden meermalen door anti-semietische studenten beleedigd en het college geven wordt hun onmogelijk gemaakt; uit vele vereenigingen, hotels en badplaatsen worden Joden geweerd; Joodsche begraafplaatsen en zerken worden door het gepeupel geschonden. Zelfs de rechterlijke macht toont zich tegenover de Joden niet onpartijdig, getuige het feit, dat een Joodsch industrieel, Haas, van wiens onschuld men algemeen overtuigd was, in 1926 eenige maanden gevangen werd gehouden onder beschuldiging van aanstichting tot moord. De zich noemende Völkische partij, die gesteund wordt door de Duitsch-nationalen, houdt het antisemietisch vuurtje steeds brandend. Het is te hopen, dat Duitschlands intrede in den Volkenbond, die onlangs heeft plaats gehad, van gunstigen invloed op het Duitsche volks-karakter zal zijn.
Sommige Joden hebben gemeend, deze anti-Joodsche gevoelens te kunnen tegengaan door de stichting van een Bond van nationaal-Duitsche Joden; deze Joodsche bond