ËRETS ISRAËL
tot stand te brengen, t. w. 14 landbouwvereenigingen en 2 verbruiksvereenigingen in de Joodsche kolonies en 1 timmerliedenvereeniging en 1 leenkas in Jaffa, allen te zamen met 696 leden. Aan deze 696 personen werd in het jaar 1907 frs. 492000 uitgeleend en van dit bedrag werd weer frs. 230000 in hetzelfde jaar terugontvangen. Verliezen werden niet geleden.
Terwijl het grootste deel der middelen van de A. P. C. in het gewone bankbedrijf gebruikt wordt, in rekening met credietwaardige handelaars, industrieelen en landbouwers, is de directie natuurlijk bovendien verplicht, gemakkelijk liquide te maken gelden voor onvoorziene gevallen beschikbaar te houden. Dat dit laatste geen overbodige voorzorg is, heeft de bank ondervonden, toen op het einde van het jaar 1907 de deposito’s op groote schaal werden opgevraagd. Aanleiding daartoe gaf ook hier de bekende Amerikaansche geldcrisis, die op de markten van de geheele wereld haar invloed deed gelden.
Zeer vele Joden in Palestina hebben familie-betrek-kingen in Amerika en dezen zonden hen van daar Joodsch-Amerikaansche couranten, waarin de crisis in de schrilste kleuren werd afgeschilderd. Angstige naturen begonnen bij de A. P. C. hun deposito’s op te vragen; er volgden meer, de een sleepte de ander mede, en weldra was een volslagen „run” in vollen gang. De directie van de A. P. C. was genoodzaakt hare fondsen te beleenen bij de Jeruzalemmer agentuur van het Crédit-