DE JOODSCHE KOLONISATIE. 103
flinke, onafhankelijke landbouwers konden opwerken. Geschillen over grenskwesties en daarmede samenhangende processen waren aan de orde van den dag en in de hoop, dat een nieuwe administratie een frisschen geest in de bevolking zou weten te brengen, gaf Roth-schild ten slotte de kolonies, aan welke hij in een twintigjarig tijdvak meer dan veertig millioen francs had ten koste gelegd, in beheer aan de Jewish Colonisation Association. Maar toen onder dit nieuwe régime de toestand niet veel verbeterde en de verliezen steeds bleven aangroeien, stemde Rothschild er in toe, dat het land op zeer billijke voorwaarden onder de kolonisten zou worden verdeeld en dat de inwendige aangelegenheden der kolonies hun successievelijk in eigen beheer zouden worden gegeven. De kolonisten vervingen nu de druiven voor een gedeelte door aanplantingen van sinaasappels en amandelen. Gerst en koren werden verbouwd, olijfboomen werden geplant en in betrekkelijk weinige jaren ontpopten zich de philantropische broei-kasjes tot levensvatbare kolonies, die zich zelven min of meer konden bedruipen. De betere toestand wordt ook in duidelijke bewoordingen in het jaarverslag van de Jewish Colonisation Association erkend. Het heet daar: „Onder de kolonisten heerscht een zeer goede geest; zij beginnen te begrijpen, dat het mogelijk is in Palestina bescheiden te leven van de opbrengst van hun land en zonder steeds finantieelen steun te behoeven.”