180
treft het vaak lang niet den hoofdschuldige; die bij de minste ruzie de politie te hulp roepen; die het gezag over hun kinderen trachten te handhaven met ze bang te maken voor de politie; die een uit de gevangenis ontslagen mensch met hun smaad overladen en hem tot recidivist maken; die juichen in de wraak en roepen om wederinvoering van de doodstraf. Neen, ik wil geen hard oordeel vellen over de rechters, al staan ook die medeschuldig, evenals ik zelf; ik weet het, dat er vooral in den laatsten tijd ook ten aanzien dergenen, die wij in het bizonder misdadigers noemen, zooals men in de dagen van Jezus een bepaalde kategorie van menschen aanduidde met den naam zondaars, een liefderijker houding wordt aangenomen, maar niettemin noem ik het een groote misdaad voor ons allen, die ons Christenen noemen, dat wij zoo handelen tegenover menschen, die onze broeders en zusters zijn, en over wie onze Hemelsche Vader Zijn zon laat opgaan met dezelfde liefde als over ons.”
Hiermede was het onderhoud geëindigd.”
Zoo spoedig had ik niet op hulp van deze zijde mogen hopen. Geve God dat het aantal getuigenissen zoodanig .vermeerderd worde, dat de Regeering zich genoopt gevoelt, ons gevangeniswezen en ons rechtswezen grondig te hervormen.