XI.
„Noem mij Eumenia," zeide nu, na de eerste kus, de lieftallige verschijning tot prof. Leyden. „Want wij kiezen hier onze namen in tegenstelling met het gebruik der aarde, waar men ze u geeft. En hoe zal ik u voortaan noemen?"'
„Verliest men hier zijn titels?"' vroeg professor een weinig onzeker.
„Integendeel. Maar men behoudt een titel alleen, wanneer hij niet dag aan dag tientallen malen herhaald wordt. Dan verslijt hij door 't gebruik."
„Dan," zei professor Leyden even nadenkend, „noem mij Horatio. Want ik besef wel, dat ik nu mijn schoolwijsheid vaarwel heb te zeggen."
„Inderdaad, mijn dierbare Horatio. Gij zult hier vreemde dingen ontwaren."
„Lieve Eumenia, zij kunnen niet zoo vreemd zijn of ik zal er nuchter tegenover trachten te blijven staan. Trouwens, ik geloof niet, dat ik na een vlindervleugel onder het microscoop te hebben bezien, verwachten mag nog grootere wonderen in het heelal te mogen beschouwen."
„Ja, Horatio, schooner kleuren zag ook ik ter aarde nooit."