„Helaas, ik was zelf een baar!”
„En ik arme, was hopeloos op u verliefd. Gij verliet Leiden, zwierft in den vreemde, vestigdet u te Leidschendam, werd velocipedist en fietste als 't ware het huwelijk in.”
„Ik heb er nooit spijt over behoeven te gevoelen.”
„Maar ik, het arme, verliefde maar niet aangekeken meisje, wachtte, wachtte, verkwijnde en stierf kort nadat gij te Leiden u vestigdet.... Dat is het lot veler Leidsche jonge meisjes!”
„En ik, ik heb u altijd onthouden, altijd aan u gedacht als ik later fluit speelde, ook eerste partij en en zelfs obligaten en solo's. Gij hebt als een ideale liefde geleefd achter de reeële liefde van mijn huwelijksleven.... Dat is het lot veler Leidsche jonge mannen....”
„Dus hebt gij mij altijd bemind!”'
„Zooals ik u thans nog bemin.”
„En ik u.”
„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk, heilig.”
„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk en heilig.... ook ik.”
Toen gebeurde iets, dat professor Leyden, hoezeer het hem in dezen oogenblik ook moeilijk viel, later aldus op streng wetenschappelijke wijze in een duidelijke formule aan zijn op dit gebied zoo bevattelijke mede-geleerden heeft kunnen duidelijk maken: