van amoebe tot het meesterlijk gepraepareerde skelet eens Angel-Saksers — alleenlijk nog altijd had de universiteit gedraald, een museum van liefelijke, schoone, jonge vrouwen voor anthropologische, anthropometrische en vooral de hem thans zoo te stade komende anthropomorphistische studiën, te stichten.
„Gij kent mij niets"' vroeg zij nogmaals. En in het geluid van haar stem, in den hemelschen blik van haar aetherisch blauw oog, lag zooveel smachtend vragen, dat het professor opeens te binnen schoot, wie zij was.
„Ik ken u, ik herken u," zeide hij vastberaden hoewel ontdaan. „Gij waart het, die mij inspireerde, eens op dien avond van Semper Crescendo, toen ik de tweede fluit speelde....”
„Die ben ik. Maar toch liet gij mij bij het bal als muurbloempje zitten!”
„Ik meende, dat gij te hoog voor mij waart en te rein. Want ik was in 't eerste jaar....”
„Gij bleeft voortaan niet altoos eerste jaars student. Gij begaaft u met uw muziekgenooten naar de kroeg. Daar toasttet gij op „Slemp er Crescendo” en gij had de driestheid, toen men u opmerkzaam maakte op mijne stille bewondering voor uwe persoon, deswege te lachen, een glas te doen vullen en den eerwaardigen spreuk der vaderen toepassend op de liefde, het „saevis tranquillus in undis” tijdens het rumoer van de kroegjool te vertalen door „Rustig te midden van de Bar.”