201
weder gelijkelijk. Men trouwde zonder liefde, zonder genegenheid, zonder voorkeur. Daartoe geleken allen te veel op elkaar, innerlijk en uiterlijk. De kinderen der gezinnen konden verwisseld worden, zonder dat de moeders het merkten. Men werd steeds spaarzamer met woorden, daar ieder al te voren van den ander wist, wat hij zou zeggen of opmerken, zooals dat voor 1950 wel eens bij de leden van zeer oude huwelijksparen het geval was geweest, die in harmonie leefden en niet door kijfpartijen eikaars vitaliteit opwekten!
Daar de vrouwen allen gelijkelijk tot de uiterste vrouwelijkheid waren ontwikkeld, ontbrak tusschen de vrouwen onderling de persoonlijkheid ontwikkelende wedijver, zoodat alle meisjes en vrouwen van dezelfde onderworpen, passieve, weeke zachtaardigheid waren geworden en den man geen prikkel tot verovering gaven noch de voldoening eener overwinning schonken. Daar de mannen allen gelijkelijk tot de uiterste mannelijkheid waren ontwikkeld, was er geen wederzijdsche, slechts gemeenschappelijke oefening van geest en lichaam mogelijk geworden. En wijl de vrouw geen beloo-ning was voor uitnemendheid of ongewone krachtsinspanning, bleven de mannen allen gelijkmatig en phlegmatiek.
Omdat alle persoonlijkheid was gaan ontbreken, ontbraken ook alle daden uit de persoonlijkheid voortkomend. Niemand zondigde persoonlijk, maar