197
als ik het zoo zeggen mag, van intuïtie. De vaardigheid reeds van kleine meisjes in het weven, breien en de sierkunsten, van de jongens in het timmeren, bouwen en allen landarbeid was buitengemeen. Vroeger waren er nog wel eens jaren van misoogst geweest, waardoor dan 's winters geteerd werd op geconfijte, ingemaakte of gejamde voorraden. Maar thans was het opkomende geslacht zoover in de oogstbouw, dat er ondanks ongunstige klimaatge-steldheden, toch elk jaar rijke oogsten werden binnengehaald. Zoo werden bijvoorbeeld, wanneer het voorjaar te vroeg warm werd, de bloesems zich vertoonden voor den tijd, dat de nachtvorsten niet meer gevreesd behoefden te worden, alle boomgaarden overdekt met in, uit suiker en aardappelmeel bereide, gelatine gedoopte tulle. Aldus werd de koude geweerd en toch het licht niet afgesloten en voorkomen, dat dagregens of nachtdauw op de bloesems bevroren en ze zoo voortijdig zouden doen afvallen of dooden. De vele vogels zorgden, dat de schadelijke insecten beperkt bleven. Ten aanzien van de verzorging van de vruchtboomen, maar ook de boomen van de bosschen, kregen de menschen een soort intuïtief begrijpen, dat het beste vergeleken kon worden met het begrip voor de nooden van het dier, dat voor 1950 sommige vee- en paardenfokkers bezaten. Het was alsof tusschen de psyche van den mensch en van den boom een zekere intuïtieve verstandhouding was gekomen. Men voelde, wat de