184
dan loomheid en nietsdoen kende en zich door anderen te laten bedienen. Maar de Harmonischen eerden den arbeid als de bron van alle deugd, liefde en schoonheid, zonder welke immers het denken aan en bidden tot God zelve niet mogelijk is, daar ook daartoe arbeid noodig is.
En het zweet des aanschijns mocht wellicht den oosterling in 't warme oosten een vloek zijn, in het Harmonische Rijk wist men, dat zweeten een gezonde en verfrisschende functie van de huid is, dat de huid altijd vocht afscheidt, meer of minder en zonder deze afscheiding, de dood in moet treden en dat men, ook in den zomer, waardig en bedachtzaam op het veld arbeidend, niet tot overmatig zweeten komt. De oosterling, die de Paradijsmythe voor 't eerst op schreef, had zeker slaven onder den stok van den opzichter op het veld zien arbeiden en uitbuiten en dat als een straf beschouwd, was wellicht Zelf een weggeloopen of vrijgelaten slaaf geweest. Wie slechts eenmaal een gezin in het Harmonische Rijk aan den arbeid had gezien, zou nooit meer gelooven, dat arbeid een straf Gods is. En wat men wist van degenen, die door het „automatisme” lieten arbeiden en zelve aan de „straf” zich hadden onttrokken, leidde niet tot erkenning van het zegenrijke van het niet arbeiden.
Zou God een arm schaap door een mensch gedood een liefelijk offer vindend
En toen men aan Genesis 9:3 kwam en las „Al