i6a
in hun draf, ja zelfs de stieren in hun horens een zekere bewusten of onbewusten drang naar rhythmische schoonheid uiten. Zoo dan begon men met beleid en fijn gevoel, nadat men ervaren had, dat de zangkunst, goed toegepast, zoo heilzaam werkte, ook de andere kunsten weer te beoefenen. Het eerst ontwikkelde zich bij de vrouwen de sierkunst. Men breidde of haakte of borduurde of weefde eenvoudige patronen in de stoffen. Daarna begonnen de mannen de gebruiksvoorwerpen en meubelen te versieren. Het rhythmische, harmonische, kuische en ingetogen leven spiegelde zich af in de motieven. Maar het menschelijke beeld werd gemeden. Ook toen later zij, die aanleg voor teekenen, schilderen en beeldhouwen toonden, en ieder had dat ongeveer, aan hun kunstdrang uiting gaven, werd geen beeltenis van den mensch, in welken vorm ook, gemaakt. Dit was een gevolg van het kuische gemoed en de naastenliefde. Men had ervaren, dat er niets meer vernederends voor den mensch is, dan als model te staan voor den schilder of beeldhouwer. De schilders en beeldhouwers, naar het naakt schilderend of boetseerend, gevoelden, datzijconterfeitend, hun ziel bezoedelden.
Maar de kunstenaars der volgende geslachten vonden door het symbolisch en rhythmisch voorstellen der lichaamsvormen, het middel om het afbeeldsel te verheffen in de sfeer hunner ziel en zoo ontstonden dan de rhythmische en symbolische