155
granaatrood vruchtensap. Een jonger meisje legde bij elk der aanzittenden een goudbruin brood neer.
Toen allen bediend waren en aanzaten stond de grootvader op en zeide, — zijn beker heffend:
„Den eersten dronk wijd ik aan Hem, Die de dorstenden naar wijsheid, te drinken geeft.”
Allen hieven hun bekers en nadat de grootvader een teug had gedronken, dronken zij een teug.
Vervolgens stond de grootmoeder op en een stuk brood van haar brood brekend, zeide zij: „De eerste bete wijd ik aan Hem, die hongerenden naar wijsheid, te eten geeft.”
Zij at een stukje brood en allen volgden haar voorbeeld.
Daarna begon de maaltijd. Men at langzaam, uiterst langzaam en rustig, kauwde lang en in volmaakte harmonie en schoonheid. „Ziet gij,” zeide Eumenia, „vroeger was het eten of een barbaarsch zich volproppen met meest dierlijke spijzen of een overhaast zich vullen. Hoe gruwelijk zulk een restaurant van voor 1950, waar de gasten bediend werden door van een fooi afhankelijke mannen, die den ganschen dag in den etensgeur en dranksfeer ronddrentelden. Ter zijde zaten wat andere mannen, die een strijkje vormden, hun weeke sensualiteit sentimenteel uit te fiedelen op gespannen schapendarmen, bestreken