En hetzelfde gevoel, dat weerzin verwekte tegen de zuivelproducten, maakte het eten van plantaardig voedsel tot een groot genot. Men at en voelde, dat men in reinheid het reine at. De liefde schiep en zoo werd het eten op zichzelf weder langzaam aan de gewijde, sobere plechtigheid op bepaalde uren van den dag, hetgeen het eten van den mensch zoo verschillend maakt van het altijd schrokkende, altijd door zijn maag getyraniseerde, dier.
„Wilt gij ze zien eten, Horatioï"'
„Gaarne, Eumenia.”
De professor volgde Eumenia naar een der vriendelijke landhuizen, half villa, half boerderij. Een teedere, liefelijke geur van de bloesems in de groote boomgaard rondom het huis, ontwaarde prof. Leyden binnen in de voorhal en de ruime kamers.
In een der kamers zaten de vader, de moeder, de grootvader, de grootmoeder en de zes dochters en acht zonen rondom een groote, notehouten tafel. Ieder hunner had een houten beker voor zich en twee borden van ahornhout. In ’t midden stonden fraaie schalen van besneden en gepolijst notenhout en in kleuren gevlochten manden en mandjes met vruchten. Appels, peren, noten, pruimedanten. Er stonden houten schalen met vruchtenjams. Er stonden zachtroze en lichtbruine en barnsteen gele puddingen. Uit een bruinaarden kan goot een der meisjes, een slanke blondine, in de houten bekers