150
haar hart waardeeren. De mannen, die een goed meubelstuk gemaakt hadden en wisten hoeveel zorgzaamheid, geduld, overleg en vaardigheid dat eischte, leerden aldus ook de handwerken der vrouwen waardeeren.
Men ging nu in de volgende geslachten er toe over ook het eigen huis te gaan bouwen. Hierbij hielpen de mannen elkaar, maar gezorgd werd, dat élk huis naar de ziel en de behoefte van den eigenaar en bewoner opgetrokken werd. Daar de Harmonischen groote gezinnen vormden, werd elk huis ruim gebouwd, berekend op de afzonderlijke opvoeding der sexen, omgeven door een flink stuk land. De kennis van de materialen leidde er toe, dat men die materialen lief ging krijgen en zoo begon men de bosschen te verzorgen en aan te kweeken, waaruit men het hout voor meubels en woningen betrok. Men kweekte de boomen en planten aan, die de gewenschte verfstoffen en oliën opleverden. Men zag in een goedopgegroeiden eik niet meer een soort „natuurschoon", dat straks gekocht, omgehakt en geautomatiseerd zou worden in de fabriek en vandaar door den handelaar versleept, maar een goed opgegroeide eikeboom was het product van de liefdevolle zorg van eenige geslachten eener familie. Men kweekte de meest voor de bearbeiding geschikte exemplaren en wanneer een boom ten laatste geschikt was geworden voor het gebruik, werd hij met eenige plechtigheid door