147
stof, eenvoud en schoonheid van snit en men was zuiniger en zindelijker op de door moeder of zuster gemaakte kleederen ,daar men in die kleederen, de maakster eerde en ontzag. Daarbij zagen de moeders en zusters, haar echtgenooten, broers en kinderen met welgevallen aan, omdat zij gekleed waren in het werk harer liefdevolle handen. De echtgenooten en broers zagen hun zusters, vrouwen, meisjes met eerbied aan, omdat zij gekleed waren in naar eigen smaak zelve ontworpen en vervaardigde kleedij. En als men bij elkaar kwam, pronkte men niet tegen elkaar op met gekochte kleeren, maar men bewonderde eikaars drachten oprecht, daar ieder wel wist, dat elk kleedingstuk een resultante was van smaak, vlijt en liefdevollen arbeid.
De ophitsende, sensueele kleuren die de fabrieken uit de koolteer hadden weten te bereiden, begonnen afkeer te verwekken. Men voelde zich beschaamd, vrouw, zuster, ja zelfs het onrijpe meisje, gekleed te zien in kleuren, die de zinnen opwekten. Men besefte, dat men zooiets aan de bloemen en de insecten moest overlaten, die in het stadia der zinnelijkheid leefden.
En zoo kwam men weer terug tot de meer gedekte kleuren. Men begon weer oog te krijgen voor de schoonheid en kuischheid van de oorspronkelijke verven van het vlas en de wol. Men leerde weer kleuren met eenvoudige aftreksels van vruchten en planten, zooals van walnotendoppen, galnoten, eiken-