135
En dieper boog de Rex Regum der wereld onder Zijn kruis.
„Zeg mij Eumenia,” vroeg prof. Leyden zich herstellend, „is Hij niet zelve gelijk zoo'n visch, die levend gestroopt en gekorven werd. Is de visch niet zijn symbool!1”
„Luister Horatio, naar den verderen inhoud van het dichtwerk.”
Prof. Leyden luisterde. Thans kwamen de dieren der aarde met hunne klachten. Daar waren de generaties der stieren, tot ossen verminkt. Daar waren de generaties der koeien, van haar kalf beroofd en misbruikt door den mensch als melk- en vleesch-fabrieken. Daar was het paardengeslacht, door de eeuwen heen gespoord, gezweept, gestriemd en doodgejaagd. Daar was het hondengeslacht, aan kettingen gelegd dag en nacht, omdat het trouw en waaksch was, omdat het deugdzaam was, onder wagens gespannen en misbruikt om te trekken boven zijn macht. Daar waren de vogels, opgesloten in kooien of uitgemoord om dierpluimage te leveren. Daar was de ever, opgekweekt om doodgejaagd te worden. Daar waren de herten en reëen, buit van wreede jagers. Maar daar waren ook de aardwormen, die de aarde etend en ze weer uitscheidend, aldus den grond vruchtbaar makend, beloond werden door de ploeg, die in 't voorjaar zijn scherp kouter door de aarde rijtend, hen levend in stukken sneed. En de stukken zouden onder krimpende smart weer tot