XVI.
„Ziethier, mijn vriend, een andere phase van de ontwikkeling der menschheid.”
„Noemt gij dat ontwikkeling, EumeniaS’ Ik zou het eerder achteruitgang willen heeten.”
„Hij die De Ontwikkeling is, kiest Zijn wegen naar Zijn Inzicht en wat achteruitgang lijkt, kan Hem middel tot het doel zijn.”
„Een vreemd middel, Eumenia.”
„Voor uw bekrompen professoraal verstand, Ho-ratio.”
„Inderdaad, gij hebt gelijk. Ik ben niet veel in het heelal, slechts een Leidsch professor — hoewel van de medische faculteit.”
„Gij aanschouwt nu groote,geheel,verwilderde landstreken en dat juist in de meest gezegende klimaten.” „Hoeveel ratten, zie ik.”
„Ja, het was de rat, die zich uitbreidde ten koste van den mensch. De rat en de wolf. Want daar deze beide diersoorten in troepen leven en het commu-neele instinct bezitten, bij deze soorten het individu zich altijd offert ter wille van de soort, wat gij een lageren vorm van Christendom moogt noemen, teelden zij in steeds aangroeiende hoeveelheden