121
de vrouw verweekelijkte. Zij wenschten, dat het geheele Nieuwe Testament terzijde zou geschoven worden. Er onstonden vele stroomingen. De Martha-ïsten, die daar het huiswerk van Martha niet in aanzien was geweest, meenden dat het Nieuwe Testament het slaven en slooven van de huisvrouw veroordeeld had. De Maria-ïsten, die in de toeluisterende en deswege geprezen Maria het symbool zagen van de erkenning van de geschiktheid der vrouw voor geestelijk onderricht. Een andere strooming wees op Johannes 15:15, luidende: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al wat ik van mijnen vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt". Hier meenden zij, was het begin gemaakt van de afschaffing van het knechtschap, de slavernij in 't algemeen en dus ook van de slavernij der vrouw. Weer een andere richting, meende, dat de Christus, zooals hij in het Nieuwe Testament geteekend is, niet kon zijn de Christus, zooals hij geweest is. Het waren de vegetarisch levende vrouwen, die Johannes 21:11 aanhaalden en het voor onmogelijk verklaarden, dat de Christus, Simon Petrus honderd drie en vijftig visschen aan hun element had doen onttrekken, dooden en tot een middagmaal bereiden en dat Johannes 21:13 den Christus voorstellende als zich openbarende en den discipelen visch te eten gevende aan een maaltijd, voor elkeen, die in