n6
het beeld Gods schiep hij hem: man en vrouw schiep hij ze".
Vervolgens, liet die veronderstelde primitieve eerste opschrijver van de mythe, de slang tot de vrouw gaan en niet tot den man. En de vrouw at het eerst van den boom, „die begeerlijk was om verstandig te maken". En weder de vrouw, „gaf cok haren man met haar". En niet als deugd werd deze goedgeefsheid der vrouw voorgesteld, maar als poging om hem eveneens ongehoorzaam te maken dus als verradelijke en valsche verleiding, als poging tot verderf. En als God de ongehoorzaamheid heeft ontdekt, zegt Hij tot de vrouw: „Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dracht; met smarte zult gij kinderen baren; en tot uwen man zal uwe begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben."
En op grond van diezelfde bekrompen primitieve opvatting, welke aan de vrouw al het slechte toeschrijft, haar den oorsprong van de aardsche verdoemenis noemt, wordt de arbeid voorgesteld als een vloek. Alleen in het brein van een zinnelijken luiaard, het oertype van den oosterschen man en van den oer-man, den wilde, in het algemeen, kon die voorstelling opkomen en een gewijde beteekenis verkrijgen. Door den geheelen bijbel waart die geest van de luiheid en nooit wordt God meer aanbeden, dan wanneer Hij den luiaard tegemoet komt door manna te laten regenen, (voedsel ontvangen zonder arbeid),