XIV.
„Wat mij verwondert, Eumenia, is dat ik alles hier zie gebeuren, alsof ik er zelf bij ben en toch geen aandeel heb in al dit leven.”
„Was het u op aarde in den nachtdroom anderss”' „Neen, dat is zoo.”
„Welnu, en hebben uw dichters op aarde niet steeds vermoed, dat ook dat aardsche leven zelf een droom wass”f „Inderdaad.”
„Maar gij voelde, dien aardschen droom reëeler, omdat gij geen anderen, vroegeren droom bewust als norm ter vergelijking hadt. Dit hing eenigszins samen met het klimaat. In de warmere landen waren de menschen er zich meer van bewust, dat zij een droomleven leidden, dan in de gematigde zonen. Vandaar dan ook dat Bhoeddha en Mahomed in die warmere landen zooveel invloed kregen, daar hunne leeren nader tot den droom staan dan de mildere leer van Christus, die er eene is ontstaan aan het bekken van de Middellandsche Zee en een product is van die zee.”
„Mijn lieve Eumenia, veroorloof mij thans eene vraag. Welke godsdienst hebben deze menschen