104
„Inderdaad zijn er sferen, inaar of zij ooit de aarde voor hare oplossing zullen bereiken weetik niet, waarin de verdeelde functie's van man en vrouw weder, zooals in den oer-tijd, zijn vereenigd in één-wezens. De een-wezens zijn zoo hoogstaande, zij die niet meer het onderscheid tusschen de beide geslachten kennen, voor wie het „tweeling is de mensch geboren” niet meer geldt, dat de aarde en haar sensueele sfeer voor hen wel onbewoonbaar zullen blijken.”
„En, hoe plant de éénling zich voort?"'
„Het éénling, bevrijd van al de lage hartstochten en daden, welke voortspruiten uit den strijd tusschen twee geslachten, een lichamelijk sterk maar zedelijk zwak en een lichamelijk zwak maar zedelijk sterk geslacht, bevrijd ook van de smart van het baren, vermeerdert zich in zijn sfeer zooals op aarde de gedachte zich vermeerdert. De idéé baart de idéé, gelijk aan een boom takken en aan een tak twijgen ontstaan. Het éénling vertwijgt zich en het geheele geslacht der eenlingen vormt een zich in zijn sfeer naar alle zijden uitstrekkende vertakking. Maar deze takken zijn alleen naar den geest met elkaar verbonden, kunnen zich overigens vrij bewegen en overal in hun sfeer zich vestigen en opnieuw zich vertakken.”
„Welk een schoone gedachtenwereld, Eumenia.”
„Maar er zijn ook sferen waar het drieling leeft.”