XII.
„Vrees niet geliefde Horatio. Gij zult opnieuw moeten, wat gij op aarde noemt sterven, maar wat niets anders is dan het overgaan in een andere dimensie. Gij zult mij straks weder naast u vinden, want ik heb besloten u niet, u nooit weer te verlaten en ik verwacht van u hetzelfde/'
„Inderdaad Eumenia, ik hoop mijzelf ook nooit te verlaten."
„Ik meende, dat gij ook mij nooit zoudt verlaten, Horatio!"
En in den toon lag voor 't eerst iets, dat men op aarde wellicht gekrenkte eigenliefde zou genoemd hebben.
„Precies mijn idee, geliefde."
„Zend nu voor een oogenblik uwe bezinning weg. Dan vindt gij gelegenheid om opnieuw van de dimensie, waarin gij u thans bevindt, tot een hoogere over te gaan, wat ook hier met tijdelijke bewusteloosheid gepaard gaat, net als het „sterven" op aarde. Want gij kunt geen vat opnieuw geheel vullen, indien het niet te voren volkomen geledigd is.”
„Heb ik dan tot heden in een andere dimensie geleefd dan vóór de narcose^"