198
Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.
Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:
„Drink niet haastig.... met kleine teugen----als dijn
leven di waard is.”
Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.
Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.
„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”
„Vertrouw op mi, heer.”
Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan 't gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.
„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hjj vol afgrijzen.
Maar waar waren Harimona en Haun?
Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien
dansen om iets.... Dat iets____wat was dat geweest...
Wellicht Harimona ? Of Haun ?
Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen