197
Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.
Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar
bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen
bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.
Nu, rustig, nam hij een stuk hout van 't vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.
Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters
genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst
van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.
Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.
„Zwijg schipper____du bent gered. Maar zwijg.”
Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij : „Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”
„Den harpoen, de knods en het mes.”
„En de aakst ? Of het kortzwaard ?”
„De aakst 1”
Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hy den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij: „Wacht mi hier, vriend.”