180
Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.
Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van 't hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vex-gaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zyn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan een afgrijnselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn ?.. En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden... was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd... ?
Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hy op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat